Lees hier het interview in pdf
Het LECK vroeg Arend Groot naar zijn ervaringen met hulpverlening aan kinderen na partnerdoding: wat maken deze kinderen mee, wat hebben zij nodig en wat vraagt dit van hulpverleners? Arend Groot werkt als maatschappelijk werker en klinisch epidemioloog bij het Landelijk Psychotraumacentrum voor kinderen en jongeren in het Wilhelmina Kinderziekenhuis (UMC Utrecht). In 2014 publiceerde hij onderzoek naar de zorg voor kinderen na partnerdoding.
Wat verstaan we onder partnerdoding en femicide?
In de klinische praktijk spreken we meestal van partnerdoding. De term femicide heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen, mede door schokkende voorbeelden in de media. Die aandacht is begrijpelijk en belangrijk, maar vraagt ook om nuance. In strikte zin betekent femicide dat iemand wordt gedood omdat zij een vrouw is. In een deel van de gevallen lijkt dat zo te zijn, maar lang niet altijd.
Binnen de hulpverlening werken we met kinderen en verzorgers die betrokken zijn bij ouderlijke partnerdoding. Daarbij is het belangrijk dat kinderen zich in het verhaal kunnen herkennen. Het gebruik van één specifieke term kan soms onvoldoende recht doen aan de diversiteit van situaties, bijvoorbeeld indien er sprake is van een psychose bij de pleger of wanneer een moeder de vader doodt. Wat daarbij lange tijd onderbelicht is gebleven, is de positie van kinderen als nabestaanden.
Vormen deze kinderen een specifieke risicogroep?
Er is veel voor te zeggen dat deze kinderen extra kwetsbaar zijn. Wat deze situaties kenmerkt, is de ontwrichting na het trauma. Het geweld dat gepaard gaat met partnerdoding, kan onvoorstelbaar gewelddadig zijn. Als kind hier getuige van zijn is enorm heftig.
Daarnaast is er sprake van een meervoudig verlies: de ouder die om het leven is gebracht en de ouder die daarvoor verantwoordelijk is. Dat betekent dat het kind in één klap beide ouders verliest en z’n veilige omgeving. De impact daarvan hangt samen met allerlei omstandigheden, zoals de leeftijd van het kind en de relatie tot de pleger, maar in alle gevallen geldt dat de basis onder het bestaan van het kind wegvalt.
Wat gebeurt er psychologisch bij een kind in de eerste uren na zo’n gebeurtenis?
Dit verschilt per kind en per situatie. De leeftijd en wat het kind precies heeft meegemaakt, spelen daarbij een grote rol. Vaak is er sprake van een intense schokreactie. Kinderen kunnen bevriezen, dissociëren of juist willen vluchten en zijn vaak in een staat van totale ontreddering. Opvallend is dat sommige kinderen juist ogenschijnlijk weinig laten zien. Ook dat kan onderdeel zijn van de shock. Dit geldt niet alleen voor kinderen die direct getuige zijn geweest van het geweld, maar ook voor kinderen die bijvoorbeeld boven lagen te slapen, waarvan de volwassenen vaak denken dat ze niets gemerkt hebben. Wij horen vaak later van de kinderen zelf dat ze wel degelijk veel hebben meegekregen.
Voor hulpverleners is dit een situatie waarin direct handelen nodig is, terwijl zij zelf ook geconfronteerd worden met eigen onzekerheid en stressreacties mede omdat deze situaties niet vaak voorkomen.
Wat maakt de situatie extra complex voor deze kinderen?
De omstandigheden na partnerdoding maken de situatie vaak nog ingewikkelder. Kinderen worden meestal direct uit hun vertrouwde omgeving gehaald en kunnen vaak niet meer bij hun spullen omdat het huis wordt verzegeld in verband met het politieonderzoek. Dat betekent ook dat belangrijke bronnen van troost, zoals bijvoorbeeld een knuffel, ineens wegvallen.
Hoewel de acute dreiging vaak voorbij is, kan er toch sprake blijven van spanningen, bijvoorbeeld wanneer de ouder die vastzit het niet eens is met de verblijfplaats van de kinderen en druk blijft uitoefenen. Juridische procedures en gevoelens van onveiligheid bij verzorgers versterken die druk.
Daarnaast spelen familieconflicten een grote rol. De gevolgen van partnerdoding werken vaak door in de relaties tussen families. Wanneer de pleger de biologische vader is, ontstaat er vaker strijd tussen families dan wanneer het om een niet biologische (ex)partner gaat. Beide families ervaren hun eigen verlies en manieren om daarmee om te gaan. Ook grootouders die hun dochter verliezen door toedoen van hun (ex)schoonzoon ervaren een intens verlies. Dan kan het heel lastig te verdragen zijn dat het kind contact wil met de pleger of bijvoorbeeld opgroeit bij de familie van de pleger. Terwijl familie van de pleger ook moet omgaan met wat er is gebeurd.
Kinderen bevinden zich midden in dit spanningsveld en worden geconfronteerd met loyaliteitsvragen die met de tijd alleen maar complexer kunnen worden.
Hoe beïnvloedt een loyaliteitsconflict naar hechtingsfiguren het psychisch functioneren?
Loyaliteit kan voor deze kinderen een enorme innerlijke worsteling zijn, zeker wanneer er geen ruimte is om gevoelens openlijk te uiten. Een kind dat opgroeit bij familie van het slachtoffer kan het gevoel hebben dat het verlangen naar de andere ouder niet uitgesproken mag worden, uit angst om de nieuwe verzorgers te kwetsen. Of het kind voelt de ruimte niet zich te uiten vanwege het immense verdriet van de verzorgers. En een kind dat opgroeit bij de familie van de pleger kan het gevoel hebben dat de situatie wordt verzacht waardoor het kind geen ruimte ervaart om zich te uiten over het verlies van de moeder.
Loyaliteit speelt zich op meerdere niveaus af en maakt dit trauma zo ingrijpend. De basisveiligheid is aangetast en ook nieuwe hechtingsrelaties kunnen onder druk komen te staan, zeker wanneer er sprake is van meerdere overplaatsingen of langdurige onrust.
Wat hebben kinderen nodig na ouderlijke partnerdoding?
De hulpverlening die aan een kind wordt geboden is van groot belang. In het handelingsprotocol partnerdoding wordt beschreven welke stappen in de eerste fase nodig zijn. Daarbij is het belangrijk om zorgvuldig na te denken over waar kinderen verblijven en om niet te snel te concluderen dat de eerste opvang ook de beste plek is voor de langere termijn.
Beslissingen die in de eerste fase worden genomen, hebben vaak blijvende gevolgen. Daarom is het van belang om stil te staan bij de veiligheid van het kind, maar ook bij het mogelijk maken van het veilig afscheid nemen van de overleden ouder. Dat is iets wat niet opnieuw kan worden gedaan en vraagt om zorgvuldige begeleiding, waarbij een gespecialiseerd traumacentrum kan meedenken.
Daarnaast is het belangrijk dat kinderen passende en eerlijke informatie krijgen. Wanneer ervoor is gekozen om kinderen niet te vertellen wat er is gebeurd, of als kinderen onjuiste informatie krijgen bijvoorbeeld omdat zij er niet bij waren, kan dat op latere leeftijd tot problemen leiden. In de praktijk blijkt dat klachten vaak samenhangen met gebrek aan openheid, conflicten tussen families en verzorgers die zelf onvoldoende steun krijgen en overbelast zijn. Daarom is het essentieel dat ook de sociale omgeving van het kind betrokken is bij de hulpverlening en dat er gewerkt wordt aan stabiliteit en veiligheid. Kinderen en verzorgers hebben het nodig dat zij gezien en gehoord worden, dat er met hen gesproken wordt en dat zij een eigen stem hebben in wat er gebeurt.
Waarom is die hulpverlening zo belangrijk?
Omdat de problemen die kunnen ontstaan vaak breder zijn dan alleen trauma, rouw en verlies. In de praktijk zien we dat kinderen hierdoor ook sociaal-emotionele en lichamelijke klachten kunnen ontwikkelen, moeite kunnen krijgen met hun identiteitsontwikkeling en vastlopen op school. Deze problemen kunnen bovendien veranderen of opnieuw opspelen naarmate een kind ouder wordt, omdat kinderen gebeurtenissen steeds anders gaan begrijpen, passend bij hun ontwikkelingsfase.
Een kind kan zich een tijd stabiel ontwikkelen, maar in een nieuwe levensfase zoals de puberteit kunnen nieuwe vragen ontstaan. Vragen over identiteit en afkomst kunnen dan sterk naar voren komen, bijvoorbeeld de vraag: ‘Ben ik ook in staat om iemand te vermoorden?’. Ook verzorgers raken daarmee soms opnieuw geconfronteerd met hun eigen emoties. Juist daarom is het belangrijk dat er een plek is waar kinderen en hun verzorgers op terug kunnen vallen wanneer dat nodig is.
Wat zijn risicomomenten in de ontwikkeling van het kind?
In de periode na de gebeurtenis (wanneer er enige stabiliteit is) is traumascreening zinvol om bij PTSS klachten een traumabehandeling te kunnen bieden. In verschillende levensfasen kunnen klachten opnieuw opspelen. Dat kan gebeuren wanneer de pleger vrijkomt, maar ook tijdens de puberteit of bij belangrijke gebeurtenissen zoals examens, relaties, trouwen of het krijgen van kinderen. Op zulke momenten wordt het gemis van ouders vaak opnieuw voelbaar en krijgen eerdere ervaringen een nieuwe betekenis.
Wat vraagt dit van hulpverleners?
In de praktijk vraagt dit van hulpverleners dat zij goed zicht hebben op de complexe dynamieken die spelen na ingrijpende gebeurtenissen, zoals trauma, verlies en loyaliteitsconflicten. Zij moeten traumasensitief en systeemgericht kunnen werken, en alert zijn op hoe klachten en gedrag zich in de loop van de tijd kunnen ontwikkelen. Daarnaast is het essentieel dat kinderen de ruimte en ondersteuning krijgen om zelf betekenis te geven aan wat er is gebeurd, waarbij het perspectief van het kind niet ingevuld wordt door volwassenen. Om dit mogelijk te maken, is het ook belangrijk dat verzorgers zelf voldoende ondersteuning krijgen, zodat zij het kind hierin kunnen begeleiden.
Omdat partnerdoding relatief weinig voorkomt, is het belangrijk dat kennis en expertise actief worden opgebouwd en gedeeld, bijvoorbeeld binnen gespecialiseerde samenwerkingsverbanden. Denk hierbij aan teams waarin professionals uit verschillende disciplines samenwerken, zoals jeugdbescherming, pleegzorg, forensische zorg, gespecialiseerde jeugd-ggz en kinderartsen, zoals binnen het LECK, dat betrokken kan worden wanneer een kind na partnerdoding zelf letsel heeft opgelopen of er sprake is van een vermoeden van kindermishandeling.
Ervaring uit onderzoek en praktijk laat zien dat rust in de familie een belangrijke beschermende factor is en dat hulpverleners hierin een belangrijke rol kunnen spelen. Tegelijkertijd zie ik dat duurzame, langdurige ondersteuning noodzakelijk is.
Hoe is het onderzoek naar partnerdoding tot stand gekomen?
Het onderzoek naar zorg voor kinderen na partnerdoding is ontstaan vanuit de klinische praktijk en een duidelijke leemte in kennis en expertise. Toen ik als gezinsvoogd werkte, merkte ik dat er nauwelijks richtlijnen of gespecialiseerde kennis beschikbaar waren. In diezelfde periode was er ook maatschappelijk en politiek onrust, onder andere door signalen van lotgenotengroepen over kinderen die verplicht werden tot contact met de pleger. Dat leidde tot de vraag wat deze kinderen en hun verzorgers daadwerkelijk nodig hebben en hoe de zorg beter ingericht kan worden. Vanuit die behoefte is het onderzoek opgezet, waarbij ervaringen van kinderen, jongvolwassenen en betrokken verzorgers zijn meegenomen. De uitkomsten vormden vervolgens de basis voor beleidsontwikkeling en het opstellen van het handelingsprotocol partnerdoding.
Wat wil je zorgprofessionals meegeven over kinderen na partnerdoding?
Mijn boodschap is dat kinderen en verzorgers langdurig gevolgd worden door gespecialiseerde zorgprofessionals, dat een kind eerlijke informatie krijgt, er traumasensitief gewerkt wordt en dat er voldoende expertise beschikbaar is. Ook lichamelijke klachten verdienen aandacht en kunnen een reden zijn om gespecialiseerde kinderartsen te betrekken.
Voor vragen over de medische, psychosociale en traumagerelateerde gevolgen van partnerdoding bij kinderen kunnen (medische) zorgprofessionals overwegen om specialistische expertise in te winnen, bijvoorbeeld via het Psychotraumacentrum van het UMC Utrecht.
Meer weten?
Het LECK is het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling. Het LECK is 24/7 bereikbaar voor artsen bij (een vermoeden van) kindermishandeling. Een kinder- en forensisch arts kijken mee, geven advies en duiden medische bevindingen. Bel: 0900-4445444 of kijk op: www.leck.nu
22 juni ’26